4. Louis De Winter als Mecenas

4.3. Michel de Ghelderode (1898 – 1962)

De Gelderode 1
Michel De Gelderode.

Over zijn zeer persoonlijke relatie met Michel de Gheldereode, wereldberoemde Franstalige Brusselse dramaturg en letterkundige, maar in het diepst van zijn gevoelens grondig verbonden met de Vlaamse ziel, laat ik Dokter Louis De Winter zelf aan het woord. Vertaling uit zijn in het Frans opgestelde persoonlijke herinneringen (augustus – september 1966) over de schrijver en hun relatie: 23 augustus 1964. “Ik maakte kennis met Michel de Ghelderode (rond 1935) via de dichter Marcel Wyseur, die zijn goede vriend en bewonderaar was. In die tijd woonde hij op een appartement op het tweede verdiep in een straat bij de Schaarbeekse Poort (eerste rechts in de Koninklijke straat). In feite was het als vriend-arts dat Wyseur me bij de letterkundige introduceerde. Deze was immers sedert lang het slachtoffer van asthma….” “…Ik schreef hem een aantal siropen voor. Hij voelde zich er goed mee . Van tijd tot tijd schreef hij mij om een vernieuwing van het voorschrift te vragen…” “… Soms ging ik bij hem op bezoek naar aanleiding van mijn bezigheden in Brussel…” “ …Ik raadde hem aan om voor zijn gezondheidsproblemen op het gelijkvloers te gaan wonen.Zo is hij na enige tijd gaan wonen op het gelijkvloers van een mooi huis in de rue du Troue. Het is daar dat hij, geïnspireerd door het kader, zijn “Sortilèges” heeft geschreven. In die tijd kwam hij soms één of twee dagen bij mij thuis doorbrengen. Hij stelde er oneindig veel het kader van mijn interieur op prijs, evenals de schilderijen van Jamar en de kostbare boeken. Hij was wel het mikpunt van de spot van mijn kinderen (10 – 12 jaar) wegens zijn schuchterheid en zijn gebrek aan zelfzekerheid. Zij konden gewoon niet geloven dat wie ik als een grote kunstenaar bestempelde, een zo meelijwekkend personage kon zijn. Uiteraard was hij steeds vergezeld van zijn bewonderenswaardige echtgenote, van wiens zijde hij zelfs in huis letterlijk geen stap week. Het familiale karakter en de eenvoud van ons sympathiek onthaal slaagden er niet in hem te bevrijden van zijn verbijsterde verbazing…”

“…Tijdens de oorlog 40 – 45 had ik minder kans om hem te ontmoeten…“

“…Ik heb geweten dat hij toen op de radio een kroniek had en er sprak over de staart van de hond van Keizer Karel en andere gelijkaardige historische onderwerpen. Dit belet niet dat dit hem duur te staan gekomen is en hem ontelbare vervolgingen opleverde door zogenoemde tricoloren…”

“Wanneer ik hem na de bevrijding weer opzocht, maakte hij een drama mee. De Schaarbeekse résistentialistische administratie tilde zwaar aan zijn “collaboratie” tijdens de oorlog en had gezworen hem van honger te doen creperen. Zonder mij zouden ze er trouwens perfect in geslaagd zijn. Zijn letterkundige carrière was inderdaad niet zonder lucratief doel, maar ze bracht hem tot in de laatste maanden van zijn leven bijna niets op, ondanks het succes. Hij leefde in feite van zijn job als archivaris op het gemeentehuis: het was zeer slecht betaald, maar ik denk wel dat hij hen zelfs geen waar voor hun geld bezorgde… Spons erover…

Na de bevrijding: wedde volledig ontnomen, zonder reserves noch voorraden; er heerste hongersnood bij de Ghelderode, in de meest letterlijke zin van het woord. Meerdere keren kwam ik naar de rue Lefrancq in Schaarbeek – waarnaar hij ondertussen van de rue du Troue verhuisd was – waar het gezin over geen enkele geldsom meer beschikte om haar schulden ( voor voedingswaren) te betalen en om de volgende dagen te overleven…”

Uit andere documenten blijkt dat in die periode zeer regelmatig door Louis De Winter geld gegeven werd aan Michel de Ghelderode, in ruil voor ontvangstbewijzen waarvan de terugbetaling door de ene nooit gevraagd werd en door de andere nooit voorgesteld.

“…Deze Calvarieweg (waarvan ik volgens zijn uitdrukking zijn Simon van Cyrene was) kon natuurlijk niet anders dan desastreuze gevolgen hebben op zijn psychische en astmatische toestand. Tijdens en na de storm heeft hij niets meer gecreëerd noch geproduceerd, ondanks enkele pogingen en ondanks het triomf van zijn oeuvre, die hij het geluk heeft gehad nog te mogen meemaken. Paradoxaal genoeg belastte het succes hem met commerciële en andere beslommeringen waarvoor hij niet gemaakt was. Het legde beslag op zijn tijd en fnuikte al zijn mogelijkheden. Onderhandelingen met uitgevers en vertalers vereisten meer dan zijn psychische en fysische krachten konden geven. Naar Parijs gaan om er te onderhandelen over geld en zaken was voor hem een nachtmerrie die, al was het maar door zijn schrik voor de kleinste verplaatsing, niet anders kon dan een astmacrisis veroorzaken. Hij had trouwens een fobie voor zowel de auto als de trein. Het gedacht alleen al dat hij voor een publiek zou moeten verschijnen maakte hem ziek en diep ongelukkig, zolang betrokken ceremonie niet achter de rug was…”

“… Herhaaldelijk sprak ik over het karakter van Michel de Ghelderode. De dominante trek was onweerlegbaar een verbazingwekkende schuchterheid, naar het pathologische toe. Hij had schrik van alles: van de éénzaamheid, de duisternis, de ruimte, de mensenmassa’s, de trein, de auto. En dit alles vaak in een ongelooflijk hoge graad. Toen hij eens bij mij thuis was, maakte ik hem het aanlokkelijk voorstel om met de wagen een ritje te maken in het Veurnse ommeland. Grote aarzeling! Na het aandringen van zijn vrouw – zonder wie hij nooit een stap zou zetten – aanvaardde hij met enige tegenzin te doen wat hij nochtans als een droom beschouwde. Onderweg verneemt hij dat ik voor een douaneprobleempje moet doorrijden tot aan de Franse grens.Terreur bij het idee oog in oog te zullen staan met douaniers die zouden kunnen… Terreur die alles overheersend wordt naarmate we de landsgrens naderen. En dit zo fel dat we hem moeten uit de wagen zetten op een 300-tal meter van de douanepost. Mijn voorstel om nadien door te rijden naar Hondschote, waar hij van droomt, wijst hij af… Het idee alleen al door de douane te moeten rijden en naar Frankrijk te gaan veroorzaakte een angstcrisis die ons deed beslissen af te zien van die wandeling… De rest was in dezelfde trant. Aangezien hij dweepte met Brugge, Vlaanderen, de Noordzee, slaagde ik er op een mooie dag in, bij prachtig weer, hem te doen inschepen op de ferry Breskens – Vlissingen. Eerst terughoudendheid, dan, nog voor we het midden van de stroom naderden,een formidabele astmacrisis die een door zijn echtgenote toegediende inspuiting (…) noodzakelijk maakte. Hij verafgode Brugge, en had voortduren zin om de stad te bezoeken. Natuurlijk nodigde ik hem thuis uit. Alles ging goed tot de nacht viel: absoluut onmogelijk om. te slapen of zelfs om in een bed te liggen die de zijne niet was, bij hem thuis. Nacht doorgebracht in een zetel en volgende dag in de namiddag terug naar Brussel…”

Zelf heb ik verschillende keren de Ghelderode gezien in de Oude Burgstraat. Zijn strakke als het ware gehypnotiseerde blik, terwijl hij stilzwijgend aan tafel zat, is me steeds bijgebleven.

“… Voor de rest deed hij niet moeilijk en kon hij goed leven in zijn eigen omgeving: levend en werkend in een zetel naast zijn bed. In het salon , waar hij nooit vertoefde en er niemand ontving, stapelde hij de meest zonderlinge voorwerpen en kunstobjecten op in een onoverzichtelijke warboel…”

Dit beaam ik volmondig: de sfeer die me overviel in zijn huis, volgestouwd met folkloristische, anekdotische, kunstige, bizarre objecten vind ik nog steeds terug als ik zijn boek “Sortilèges” herlees.

“… Hij had een eenvoudige levensstijl en ging nooit uit, behalve om soms in de buurt een “goed glas” te drinken en een goede Vlaamse pijp te roken: gebakken aarde met een lange steel… Hij was oneindig gevoelig, delicaat, en hartelijk. Dit verklaart zijn houding tijdens de vervolgingsperiode. In plaats van de vechter waar me zich zou aan verwacht hebben, stond er slechts een arme martelaar, die zijn beulen wel verketterde, maar zonder zijn tanden te laten zien, diep ongelukkig, hulpeloos, ontmoedigd en wanhopig; maar des te meer oneindig dankbaar voor degenen die hem geholpen hadden. Ik weet er alles van!”

“… Hoe is Michel de Ghelderode, met dit soort temperament, met deze psychische constitutie, er in geslaagd het letterkundig oeuvre uit te bouwen dat de zijne is? Men kan zich inderdaad moeilijk een groter contrast indenken tussen een vader en zijn zoon. Het is aan de psychiaters en de psychologen om te proberen een uitleg te vinden. Mijn totale incompetentie in deze materie doet me aarzelen om wat volgt voor te stellen….” “…Bij het lezen van een aantal passages uit zijn oeuvre heb ik vaak gedacht aan die knaap die beeft van angst in de duisternis en luidkeels roept om aan iedereen te tonen dat hij voor niets terugdeinst! Dit alles laat ons toe de kapitale rol naar waarde te schatten die zijn bewonderenswaardige vrouw gespeeld heeft in het leven en zelfs in het oeuvre van de Ghelderode. Slechts zelden heeft een echtgenote haar man beter begrepen, en nog minder heeft een vrouw meer haar man geholpen.

Om dit arm snotterend kind te verzorgen moest ze beschikken over een schat aan geduld en goedheid. Bij Mevrouw de Ghelderode waren die deugden gewoonweg onuitputtelijk en is het zeker niet gewaagd te beweren dat het oeuvre van de grote letterkundige waarschijnlijk nooit het licht zou gezien hebben zonder die onvergelijkbare medewerkster.“

Die lofzang van mijn grootvader ten aanzien van Mevrouw de Ghelderode had even goed de lofzang van mijn grootmoeder kunnen zijn. Op een heel ander plan heeft ook zij het familiaal roer vastgehouden. Zonder haar toewijding zou Dr. De winter waarschijnlijk nooit de mogelijkheid noch de tijd gehad hebben om zijn veelzijdige talenten bot te vieren. Als een ware logistiek manager stond zij in voor de hele achtergrond van “aardse” maar noodzakelijke “details”, waar haar man weinig benul van had. Van o.a.het organiseren van het goed verloop van de consultaties thuis, over het smeren van zijn boterhammen en het aandoen van zijn manchetknopen, tot het instaan voor het warm onthaal van de ontelbare bezoekers thuis of het in de wagen rondvoeren van haar man in zowel binnen- als buitenland.

De Gelderode 2
Michel De Gelderode.

1 september 1964. “ Door mijn relatie met die vriend zou “men” zich kunnen afvragen of die relaties, die vriendschap en mijn persoonlijkheid enige invloed uitgeoefend hebben op het werk van Michel de Ghelderode. Het antwoord is even categorisch als eenvoudig: absoluut niet – noch direct, noch indirect -. In tegenstelling tot het geval van A. Jamar, waar de symbiose totaal was en waarin de schilder met zijn buitengewone technische mogelijkheden de visies en de interpretaties realiseerde die ik hem suggereerde van 1929 tot aan zijn dood. Met de Ghelderode was er niets gelijkaardigs aanwezig. Ik heb hem trouwens redelijk laat ontmoet, +/- 1935, als zijn oeuvre reeds vorm genomen had.. Maar vanaf dat ogenblik was ik voor hem een vriend, een vertrouweling, een morele en ook enigszins medische steun. Dit heeft door de aanmoedigingen misschien zijn werk vergemakkelijkt, maar heeft zeker niet bijgedragen tot de tot stand koming van zijn oeuvre. De zaken zijn in die fase gebleven tot na de oorlog en de verstrekte hulp tijdens zijn vervolgingsperiode (zijn gang naar de Calvarieberg, zoals hij wanhopig zei). Zijn brieven en vooral zijn talrijke handgeschreven opdrachten in de boeken die hij mij in die periode schonk (voor 1944), spreken voor zichzelf.”

In het oeuvre van Michel de Ghelderode is er één werk, de éénakter “Le Cavalier Bizarre” dat als zodanig in de originele uitgave formeel opgedragen is aan “A mon grand ami le Docteur Louis De Winter, Grand Charitable”.

“ Naast het enthousiasme en de bewondering (er was nog niet zoveel reden tot grote erkentelijkheid voor de enkele bewezen medische en andere diensten),was er ook zijn bewondering voor mijn talrijke medische en artistieke activiteiten en de samen gedeelde liefde en bewondering voor het land en de geschiedenis van Vlaanderen. Hij benijdde en zag tegelijkertijd op naar mijn werkkracht, mijn medische loopbaan , mijn dynamisme en mijn aanmoediging van diverse kunstenaars zoals Rotsaert en Jamar. En dit alles met een slechts 10 jaar jongere leeftijd dan hij, de zieke, de asthmatieker, de ziekelijke vreser, de astenieker… Hier moet het belangrijk hoofdstuk Jamar worden toegevoegd…”.

Zie tekst in het hoofdstuk over Jamar. “… Ghelderode kende dus zeer goed Jamar, de mens en zijn werk, waaraan hij in 1947 – 1948 een reeks artikels zou wijden die ooit een onbekende en helderziende de Ghelderode zullen openbaren als kunstcriticus. In het ontstaan en in de ontwikkeling van deze de Ghelderode – kunstcriticus – heb ik overduidelijk een absolute rol gespeeld. Zoals gezegd heb ik inderdaad Jamar aan de Ghelderode geopenbaard. Hieruit ontstond enkel een bewondering van de poëet voor de schilder. Dan kwam de Calvariebergperiode 1940 – 1945. Zie hoger. 1947: de Ghelderode wordt gerehabiliteerd; Jamar sterft (1946). De Ghelderode publiceert een reeks kunstkritische artikels in “Le Journal de Bruges”. Het louter lokaal belang van deze krant verhinderde de waardering op nationaal of zelfs op internationaal plan. Naast zijn artikels over het werk van Jamar (waarin hij de nadruk legde op de symbiose tussen de schilder en dr. De Winter), heeft hij ook als kunstcriticus gepubliceerd over: 1: Een merkwaardig artikel over het prachtig Pax beeld van Rotsaert (in “Le Journal de Bruges”. 2: Een introductie-presentatie voor een album met etsen van schilder Goethals,, uitgegeven onder de auspiciën van de Rotary Club van Brugge. Dit artikel werd nogal met tegenzin gepubliceerd door de Ghelderode, die het meer deed om me aangenaam te zijn , dan uit bewondering voor de kunst van Goethals wiens artistiek formaat natuurlijk niet van hetzelfde gehalte was als dat van Jamar. 3: Een introductie voor een album etsen van Boonen, die hij als kunstenaar zeer bewonderde. Ik weet niet of ik over een exemplaar van die twee introducties beschik.

De Ghelderode droomde ervan een groot artikel te schrijven , speciaal gewijd aan de modaliteiten van de samenwerking en beïnvloeding tussen Dr. De winter en Jamar. Zijn mogelijkheden waren toen al sterk verminderd (+/- 3 jaar voor zijn overlijden) en hij was absoluut in beslag genomen door zijn successen in de boekhandel en in de toneelwereld. Het project werd uitgesteld en bleef ondanks enkele pogingen in het ontwerpstadium. Uiteindelijk, toen hij ondanks zijn optimisme aanvoelde dat hij op de rand van zijn graf stond, schreef hij betrokken artikel in een .uiterste krachtinspanning. Het werd een commentaar op het artikel van zijn vriend Cuypers over het gedicht van de Schepping in de laatste fase van Jamar’s oeuvre. Dit werd het allerlaatste werk van de Ghelderode. Ik ontving het document (door de toestand van de sterveling moeilijk leesbaar ) enkele dagen voor zijn overlijden…”

“…Kortom, naast de als theaterauteur bekende en gevierde de Ghelderode is er ook een totaal onbekende de Ghelderode: de kunstcriticus. In zijn ontstaan en zijn ontwikkeling heb ik op het einde van zijn leven een kapitale en exclusieve rol gespeeld.

Zal de kunstcriticus de Ghelderode ooit geopenbaard en naar waarde geschat worden zoals hij het verdient? Ik ben ervan overtuigd: de tijd regelt dat soort zaken “.

Door Christian Daems.


Spellingsfout gezien? Selecteer de tekst met uw linker muisknop en klik op Ctrl+Enter.

Geef een antwoord